Column
Opleiden met gevoel voor diversiteit

Regelmatig verschijnen er berichten in de media: scholieren en studenten met een niet-westerse achtergrond zijn minder succesvol in alle vormen van onderwijs dan hun autochtone leeftijdgenoten. Ze vallen vaker voortijdig uit, komen minder ver in hun studieloopbaan, hun studierendement is lager. Dat is niet alleen belemmerend voor de toekomstkansen van de jongeren zelf, maar vormt ook een rem op de ontwikkeling van een kenniseconomie waarin de inzet en talenten van alle jeugd in Nederland hard nodig zijn. Vandaar dat er met financiële middelen van het ministerie van OC&W specifieke maatregelen genomen worden om het studierendement te verhogen van niet-westerse allochtone studenten die (5) hogescholen in (4) grote steden in de Randstad bezoeken; de zogenaamde G4-G5 middelen. Zo wordt er extra
Pauline Naber begeleiding gegeven om de taalbeheersing te verbeteren, meer persoonlijke aandacht om
studievaardigheden te verwerven, informele activiteiten ondernomen om de sociale integratie in de hogeschool te stimuleren. In welke mate en op welke termijn deze initiatieven effect hebben, is voorlopig nog de vraag.
Een heel andere vraag die in opleidingen voor beroepsonderwijs veel minder wordt gesteld, is of de inhoud van het curriculum goed aansluit bij een cultureel gemengde studentenpopulatie én bij een diversiteit aan cliënten die de studenten na hun studies zullen begeleiden. Dagen sociaalagogische opleidingen als Pedagogiek en Maatschappelijk Werk studenten voldoende uit om over de eigen socialisatiegrenzen heen te kijken, om gevoel voor diversiteit te ontwikkelen in de begeleiding van gezinnen en kinderen? Deze uitdaging betreft niet alleen autochtone Pedagogiekstudenten die buiten de grote stad zijn opgegroeid en tot hun hbo-opleiding nauwelijks met Surinaamse, Antilliaanse, Marokkaanse of Turkse leeftijdgenoten in hun leefomgeving te maken hebben gehad. Maar dit geldt ook voor Marokkaanse jonge vrouwen die als opvoedadviseurs begeleiding moeten kunnen geven aan Surinaamse tienermoeders en Turkse jonge mannen die als maatschappelijk werkers hulp bieden aan gescheiden moeders van diverse achtergronden.
Kennis nemen en leren omgaan met sociale en culturele diversiteit begint voor studenten in de klas, niet alleen via lessen en boeken, maar ook – misschien wel vooral – door elkaar te leren kennen. En dat gaat niet vanzelf, zo leert de ervaring. Docenten zijn nog nauwelijks geschoold om met gevoel voor diversiteit te communiceren met de klas, om de diversiteit aan socialisatie-ervaringen van de studenten te benutten als bron van leren. Uit handelingsverlegenheid en onwennigheid wordt liever aan culturele diversiteit voorbij gegaan – ‘ik zie geen verschillen, iedereen is gelijk’ - dan dat diversiteit onderkend, benoemd en benut wordt in de opleiding. Dit geldt niet alleen voor docenten, maar ook voor studenten zelf. In een groepsgesprek met vierdejaar studenten HBO Pedagogiek hebben wij dit onderwerp besproken.‘Hoe moet ik mij gedragen? Dat heb ik nog steeds wel als ik met een groep Nederlanders ben’ zegt een Koerdische student die in een politiek vluchtelingengezin is opgegroeid. Een Nederlandse klasgenoot ervaart het juist als leuk om in een gemixte klas te zitten, om te leren over andere culturen. Haar Surinaamse en Marokkaanse klasgenoten vinden dat het leerproces eenzijdig is, teveel binnen Nederlandse kaders plaatsvindt. Zo moest Jasmina in het afstudeerproject met Saskia en Marjan erg haar draai vinden: ‘Die willen heel veel communiceren, over alles, terwijl ik vind dat we niet over alles hoeven te mailen en te praten. Bij mij thuis wordt alleen over belangrijke dingen gesproken, niet over alles. Saskia en Marjan, die praten, praten, praten.’ De studenten signaleren de neiging om gescheiden Marokkaanse, Surinaamse en Nederlandse groepjes te vormen. Dat vinden ze jammer en niet nodig, maar weten ook niet hoe dat te doorbreken. De Surinaamse Anansa vindt dat in de opleiding de Nederlandse cultuur teveel ‘de norm’ is, niet alleen in de klas, maar ook in verschillende vakken, in lesmateriaal, in stages. In studieboeken wordt vaak onderscheid gemaakt tussen ‘de’ westerse en ‘de’ niet-westerse cultuur, worden stereotype beelden van ‘andere’ culturen en opvoedingspraktijken neergezet. Wanneer Miriam - die zelf door haar huwelijk met een Surinaamse man een gemengd gezin heeft - constateert dat een witte visie in literatuur domineert, dat het onderwijsmateriaal niet deugt, is de klas het met haar eens. Als studenten zouden ze meer kennis willen hebben over de normen en waarden in verschillende culturen, hoe daarmee om te gaan, welke gesprekstechnieken te gebruiken, hoe respect te laten zien en tegelijkertijd goed hulp te geven. Zo vatten de studenten hun verbetervoorstellen samen.
Precies dit type verandering is nodig om studenten met gevoel voor diversiteit op te leiden. Hoe dat te bewerkstelligen in het curriculum, de scholing van docenten, de opleidingsprofielen van hogescholen, is een cruciale vraag in de Kenniswerkplaats Tienplus in Amsterdam. Hierin werken instellingen voor opvoedondersteuning, lokaal jeugdbeleid, kennisinstituten en beroepsopleidingen in Amsterdam nauw met elkaar samen. Om professionals op te leiden die kennis en gevoel hebben voor diversiteit in de ontwikkeling en opvoeding van jeugd.
Pauline Naber, lector Leefwerelden van Jeugd van Hogeschool Inholland, projectleider Opleiden en Professionaliseren van Kenniswerkplaats Tienplus.