Drie vragen aan...

Heleen Schols, beleidsadviseur diversiteit Amsterdam Zuidoost

1. Welke beleidsvisie heeft stadsdeel Zuidoost op diversiteit en hoe past de Kenniswerkplaats Tienplus hier in?

‘Het doel van het diversiteitbeleid van Stadsdeel Amsterdam Zuidoost is: een inclusiever aanbod van diensten en kansen in het stadsdeel. De doelen van de Kenniswerkplaats Tienplus sluiten dan ook heel goed aan bij het diversiteitbeleid van het stadsdeel, hoewel het diversiteitbeleid over meer gaat dan opvoedingsondersteuning. Het diversiteitbeleid is relevant voor alle thema’s van het lokaal sociaal beleid, zoals werk, jeugd, armoede en veiligheid.

De inwoners van Zuidoost delen allerlei kenmerken op het gebied van bijvoorbeeld leeftijd, opleidingsniveau, gezinssamenstelling en culturele achtergrond. Maar omdat de inwoners daarnaast op veel punten ook van elkaar verschillen, hebben zij ook andere behoeften en prioriteiten. Het stadsdeel wil dat haar beleid recht doet aan deze verscheidenheid. Effectief lokaal sociaal beleid is resultaatgericht beleid, dat aansluit op de wensen en behoeften van de divers samengestelde bevolking van het stadsdeel: inclusief beleid dus. Dat kunnen we bereiken als niet alleen de overheid, maar ook bewoners en maatschappelijke organisaties mogelijkheden hebben om hieraan bij te dragen. Dit is dan ook de kern van het plan van aanpak voor het diversiteitbeleid, dat het Dagelijks Bestuur van het stadsdeel in september 2010 heeft vastgesteld. Centraal hierin staat samenwerking tussen lokale (zelf)organisaties, reguliere instellingen en stadsdeel, ook wel de samenwerkingsdriehoek genoemd.’  

2. De Kenniswerkplaats probeert de verbinding tussen zelforganisaties en het reguliere aanbod te versterken. Wat is het belang hiervan voor Zuidoost?

‘Reguliere instellingen met een taak in het sociale domein zijn de eerst aangewezenen bij het aanpakken van sociale problematiek. Het komt echter regelmatig voor dat vrijwilligers en zelforganisaties ook een belangrijke rol spelen. Zij dragen bij aan het bevorderen, aanmoedigen, ondersteunen en vergroten van daadwerkelijke participatie van bewoners op allerlei gebieden. Ze kunnen ook hulp- en dienstverlening verbinden met groepen die nog niet of onvoldoende bereikt worden. Met andere woorden, ze dragen eraan bij dat het hulpaanbod inclusiever wordt en beter aansluit op de behoeftes van alle bewoners. Dit geldt ook voor initiatieven rond opvoedingsondersteuning.

Samenwerking tussen professionals en vrijwilligers ligt voor de hand, want een goede samenwerking bundelt en vergroot de kracht van beiden. Deze samenwerking moet gebaseerd zijn op het begrip dat elke partij vanuit een eigen expertise en invalshoek bijdraagt aan het ondersteunen van bewoners. Het is van belang om hierbij samen te bekijken wat ieders meerwaarde is en op welke punten men elkaar kan versterken, zonder dat er onnodige overlap ontstaat. Wanneer de samenwerkingspartners elkaar op de juiste manier weten te vinden, is dit van onschatbare winst voor de bewoners. De onmisbare schakel van samenwerking tussen de verschillende partijen zorgt er dan voor dat zij samen nog meer zijn dan de som der delen.

Het stelt echter ook hoge eisen aan de samenwerkingspartners. Het is niet eenvoudig om een manier te vinden om verschillende gezichtspunten en werkstijlen bij elkaar te brengen. Het is nodig om elkaar beter te leren kennen, en tot afspraken te komen over goede samenwerking. Het stadsdeel wil als partner en regisseur de samenwerking bevorderen. De Kenniswerkplaats Tienplus helpt ons inzicht te krijgen in wat er voor nodig is om deze verbindingen tot stand te brengen, en hoe het stadsdeel haar rol als regisseur optimaal kan vervullen.'

3. Wanneer is voor u de Kenniswerkplaats Tienplus geslaagd?

‘Voor mij is de Kenniswerkplaats Tienplus geslaagd wanneer wij tijdens en na het onderzoek handvatten krijgen aangereikt om nog beter gebruik te maken van alle kracht en expertise die aanwezig is in het stadsdeel, en die nu nog niet altijd ten volle benut wordt. Hierbij hoop ik op feedback die concreet en praktisch is, maar tegelijk het niveau van voorbeelden ontstijgt.’