Column

Diversiteit met een bite


Elke ouder breekt zich wel eens het hoofd over de opvoeding, als de kinderen klein zijn en als ze gaan puberen vaak nog meer. We nemen in zo'n geval het liefst onze partner in vertrouwen, of onze zus, vriend(in), of de leerkracht van ons kind. Pas als we er niet meer uitkomen, zoeken we professionele hulp. Maar hier scheiden zich de wegen: ouders van niet-westerse afkomst kennen net als een deel van de laagopgeleide autochtone ouders - veel meer aarzeling of zelfs angst om dit te doen. Bovendien breken ze de behandeling vaker af. Hun kinderen lopen daarmee een groter risico, en komen pas weer in het zorgsysteem terecht als problemen uit de hand lopen.

Trees Pels

Hebben deze ouders meer moeite om de vuile was buiten te hangen, of om deskundigen in de arm te nemen, zoals vaak wordt gedacht? Ik zou het anders willen zeggen: bij hen leeft meer angst voor onbegrip of zelfs afwijzing van de eigen manier van doen. Misschien schrikt ook de soms harde toon in het debat over opvoedingsondersteuning af: weg met de softe aanpak van nalatige opvoeders, desnoods verplichte deelname aan interventies! De roep om dwang en drang suggereert dat ouders wars zijn van hulp. Maar voor de meesten geldt vooral dat zij paternalisme afwijzen, zich niet willen onderwerpen aan een eenzijdig beschavingsoffensief.

Hulp kan alleen maar wortel schieten als we ook luisteren naar de ervaringen en opvattingen van de ouders. Ik zeg bewust ook, want professionals beschikken over eigen deskundigheid, en moeten ouders tevens nieuwe perspectieven kunnen bieden. Het gaat er immers om dat kinderen op een toekomst worden voorbereid in deze samenleving, een taak die opvoeders in het gezin niet altijd alleen af kunnen. Maar het is belangrijk dat daarbij de verbinding met de leefwereld van de ouders intact blijft. Uit onderzoek blijkt keer op keer dat opvoeden en opgroeien het beste lukt als ouders en kinderen zich het nieuwe eigen kunnen maken zonder zich af te hoeven keren van het oude. Een te snelle en eenzijdige aanpassing kan onzekerheid geven, spanningen tussen de generaties, en daarmee risico's voor de ontwikkeling.

Veel professionals aan de frontlinie doen hun best om de ouders tegemoet te komen. Zij staan er echter nog vaak alleen voor. Tijdens hun opleidingen krijgen ze weinig diversiteitsbagage mee. Ook zijn nog weinig interventies diversiteitproof, en is hun handelingsruimte afhankelijk van de goodwill van het management. Want diversiteitsbeleid is nog steeds facultatief: instellingen afrekenen op hun onvermogen om voor iedereen toegankelijk en effectief te werken is er nog niet bij. Eigen organisaties beginnen in het gat in de markt te springen. Zij weten de ouders beter te bereiken en aan te spreken, en brengen innovatie van onderop. Maar we moeten waken voor gescheiden circuits. Hier ligt een belangrijke taak voor de Centra voor Jeugd en Gezin, die opvoedsteun voor iedereen dichter bij huis moeten brengen. Hun succes staat of valt met aansluiting bij de vragen en initiatieven vanuit de groepen die zij bedienen, en verbinding met ouders en hun netwerken.

In een notendop heb ik hiermee het doel geschetst van de Kenniswerkplaats Tienplus: met het accent op ouders van tieners, waar nog weinig aandacht voor is in de jeugdketen, werken aan een breed toegankelijke opvoedingsondersteuning en aan de daartoe nodige verbindingen. Wij de stad Amsterdam in samenwerking met de praktijk van opvoedingsondersteuning, professioneel én vrijwillig, en kennisinstituten Verwey-Jonker Instituut, de VU en INHolland hopen daar de komende jaren flinke stappen in te zetten. Op weg naar een preventief aanbod dat structureel beter functioneert, zodat we jongeren niet pas weer terugzien als het eigenlijk al te laat is. Van de bekende projectencarrousel naar een verankerde diversiteitsaanpak: diversiteit met een bite dus.

Trees Pels, projectleider Kenniswerkplaats Tienplus