Column

Positief Opvoeden, Triple P als onderdeel van een gevarieerd aanbod opvoedondersteuning

Cécile Winkelman, senior adviseur SO&T – kwaliteit in opvoeden en opgroeien en onderzoeker bij de Kenniswerkplaats Tienplus

Het belang van opvoeding voor een positieve ontwikkeling van kinderen en jeugdigen wordt alom erkend. Opvoeding is een samenspel van kenmerken van kind, ouder en omgeving. Opvoedondersteuning heeft als doel een ondersteunende bijdrage te leveren aan dit samenspel. Een positieve ontwikkeling van kinderen en hun ouders is belangrijk om te kunnen meedoen in de maatschappij. Hiervoor is een gevarieerd aanbod nodig dat toegankelijk, herkenbaar en acceptabel is voor alle ouders en kinderen ongeacht taal, cultuur, religie, leeftijd en sekse.

De laatste jaren staat het werken met bewezen effectieve methoden binnen de opvoedondersteuning sterk in de belangstelling. Na eerdere jaren van allerlei lokale initiatieven en projecten is er behoefte aan programma’s die goed omschreven, onderbouwd en overdraagbaar zijn. Positief Opvoeden (Triple P) is zo’n ‘evidence based’ programma.

Een punt van kritiek op de bewezen effectieve programma’s is dat zij weinig rekening zouden houden in hun visie en aanbiedingsvorm met ouders met een niet-westerse achtergrond. Ook is er weinig of geen onderzoek naar de effectiviteit van deze programma’s bij ouders met een niet-westerse achtergrond. Maar wat leert de praktijk?

De eerste resultaten van het onderzoek Triple P divers in Amsterdam laten bijvoorbeeld groot enthousiasme zien onder ouders en beroepskrachten. Ouders zeggen dat ze met de 17 vaardigheden van Positief Opvoeden de opvoeding van hun kinderen beter aankunnen. De sfeer tussen ouders en kinderen is prettiger en ouders voelen zich meer bekwaam bij de opvoeding van hun kinderen.

Ook beroepskrachten hebben houvast aan de duidelijk omschreven methode. Aansluiting bij de ouders wordt bevorderd door het uitgangspunt van zelfregulatie. Ouders bepalen zelf welk opvoeddoel zij willen behalen. De dvd (in het Nederlands, Turks en Marokkaans ingesproken), rollenspellen en diverse vormen van aanbieding (individueel of groepsgewijs) bieden ruimte om ouders te betrekken. De cijfers van Triple P in Amsterdam laten zien dat het bereik onder niet-westerse ouders aanzienlijk is.

Zijn er ook knelpunten? Natuurlijk, en dan vooral rond taal. Er zijn ouders die het programma liever in de eigen taal kan krijgen aangeboden. Dat is toch de taal van je hart, waarin je makkelijker spreekt als het gaat over zoiets belangrijks als je kinderen. Andere ouders hebben juist behoefte aan gemixte (taal-/cultuur-) groepen, omdat zij meer willen weten over de Nederlandse opvoeding. Beroepskrachten worstelen ook met taal. Zij zien dat collega’s die eenzelfde culturele en taal achtergrond hebben, ouders vaak makkelijker bereiken en behouden via een informele vorm van werving en toeleiding.

Wij horen dat beroepskrachten een grote nadruk ervaren op effectieve methodieken, zoals Triple P. Andere in Nederland ontwikkelde vormen van ‘practice based’ opvoedondersteuning, waar meer ruimte is voor bovengenoemde thema’s, lijken naar de achtergrond te verdwijnen. Programma’s zoals Samenspel, Spel aan Huis, Opvoeden in Beeld en Beter omgaan met Pubers zijn juist - bottom up - ontwikkeld om ouders met een diverse culturele achtergrond te bereiken en aan te spreken. Het ‘effect’ van deze programma’s zit vooral in de laagdrempeligheid en het bespreken van onderwerpen die specifiek bij migranten ouders een rol kunnen spelen. Mijn stelling is dan ook dat een combinatie van practice based en evidence based programma’s ervoor kan zorgen dat we alle ouders bereiken, op een voor ouders herkenbare manier.

Waarom zouden we moeten kiezen tussen evidence based of practice based programma’s, tussen formele of informele initiatieven? Een ideaal aanbod van opvoedondersteuning zou moeten bestaan uit al deze elementen. Ze kunnen bovendien van elkaar leren. Evidence based programma’s kunnen zichzelf versterken door beter te luisteren naar de stem van ouders, jeugdigen en beroepskrachten en dit in hun programma’s opnemen. Tegelijkertijd kunnen de informele, lokale initiatieven vanuit de pedagogische civil society of frontlinie gebruik maken van bottum-up ontwikkelde producten uit de (formele) opvoedondersteuning. Dit kan echter alleen als formele en informele opvoedondersteuning gelijkwaardig naast elkaar mogen bestaan en hun eigen kracht en identiteit mogen behouden.

Juist dán kan een positieve pedagogische society ontstaan: een maatschappij waarin een gevarieerd aanbod opvoedondersteuning voor het welzijn van alle ouders en jeugdigen aanwezig is.